plukje.startje.com
Eigen startpagina

plukje rubrieken:

°° °° °° schilderkunst van Koen °° hieronder vind je lama links: hoe gaan we verder schrijven De gedachte uitgestrooid MIJN GASTENBOEK PLUKJE HET VERHAAL lama °° °° de zwerver °° lees hier PLUKJE HET VERHAAL LAMA DE GEDACHTE 2008 en en °° LAMA °° °°° °°

lees hier PLUKJE HET VERHAAL

K: Plukje vertelde mij een verhaal was niet een gewoon verhaal ooit was Plukje getuige van een vreemd gevoel was Plukje hij of zij, deed er eigenlijk niet toe, net zoals die jongen die gek werd van de liefde. Plukje was misschien een ster of een onoverwinbare droom van Plukje ja Plukje was een echte speelvogel alles wat in zijn of haar ok laten we nu Plukjes mannelijke kant belichten alles wat in de buurt kwam kreeg een betekenis kreeg zelfs kracht een kracht Plukje begon van zichzelf te genieten en met zichzelf te lachen zijn buik rond wat zou Plukje zijn zonder iemand die hij bewonderde of verafschuwde Nee zij hij Nee deze dwaling kwam ik bedoel kwam niet enkel van hem hij verstond zijn verhaal niet echt was misschien zijn verhaal niet misschien had hij net als Hans en Grietje de steentjes in het bos gegooid telkens na één voetstap om de weg ja om de weg te vinden de weg lachte hij: wat makkelijk die vindt toch iedereen maar opeens dacht hij aan een heel bijzonder feit had hij niet vergeten stil te staan bij zichzelf had hij niet vergeten om te gaan met gevoel zoals de grote wijzen die het bos doorliepen zonder steentjes hij dwaalde nee hij dwaalde af zonder steentjes in zijn zak die was hij kwijt ééntje had hij ooit gegeven en nog een woord erbij denk eraan denk eraan het ware heerlijke gevoel van echtheid wijsheid de ware vreugde wordt niet uitgesproken maar straalt net zoals wanneer wij onze ogen dicht knijpen na een zonnestraal eigen moeder straal net wanneer wij de dwazen achter de zonnebril uitlachen beste vriend jij was het noorden kwijt heb je eigen moeder van jou kinderen laten wenen jij hunkerde beste vriend van verlangen naar invulling en toch werd je terechtgewezen Plukje was stil werd heel stil en dacht aan zijn bestaan in de war Plukje wou groot zijn maar toch te neergeslagen wou de ware liefde wou geluk nee eigenlijk strompelend als een stervend manneke was het een echte invulling of was de stroom zo diep en verdronken de modder voelde niet zo goed beste Plukje het steentje heb ik nog steeds in jou broekzak geplaatst beste zonnestraal jij leerde mij begrijpen beste zonnestraal wees stil na mijn verhaal ruik mijn bloesem de kikker is nog steeds in het theehuis beste zonnestraal wees aandachtig ik beste zonnestraal voel ik tel de steentjes van de goede richting één voor één nee op zes minuten was ik nog niet droog van onze ontmoeting vluchtig grijpend intens menslief welk verhaal over Plukje Plukje slaapt de steentjesman gaat ook slapen S: We zullen nieuwe wegen vinden, dacht Plukje Wegen van horen en zien, voelen en ruiken, maar ondanks zijn goede voornemens worstelde en baarde Plukje angsten, onzekerheden en leegtes. Deze overspoelde hem, als een vloed-zee., maar hij weigerde...ja, het weigerde te roepen en te vergaan, hopende dat zijn wanden van angst niet zouden barsten door de schreeuw van wantrouwen. Toch ging Plukje op stap, dapper en moedig zoals hij was, niet wetende waartoe het leven hem zou leiden. In elke ontmoeting speurde Plukje naar de steentjesman, maar de tijd... ja, altijd die tijd, het eeuwige on-eindigend probleem...de tijd. Tijd om te vertrekken, verder te trekken zonder steentjes, zonder af-zien, zonder weer-zien. Plukjes vertrek was iets nobels, iets van de ziel en de triomf der moedigheid. Zijn kleine hart was vol opwinding, spanning en verrukking in het nog te betreden landschap. Geen voetsporen vooraf, nee ... enkel zijn eigen stapjes het merkteken van al-tijd, een belofte van vrijheid. Hij zwierf zeven dagen en zeven nachten en al spoedig kwam de tijd der wolken. Als je tien jaar lang geleefd hebt tussen berg en meer, geklemd en rondom door nabije hoogten omsloten, dan vergeet je de dag niet, waarop je voor het eerst een grote, wijde hemel boven je ziet. Weliswaar bevolkt door groten grijsblauwe wolken. Het gevoel van uit een stolp te komen die toen nog veilig was, maar verslindend voor de inwendige steentjesman. En nu zag Plukje, helemaal door het moment overmand, met angst en gejuig hoe de enorme verte plotseling op hem af kwam stormen. Het was zo fabelachtig groot... de wereld dus ! K: Het was zo fabelachtig groot, de wereld ? Plukje dacht na, in zijn slaap van verwondering. Groot geworden, door en met het gevoel nooit begrepen te zijn. Ja, hij moet opeens weer lachen met die vrouw, die het o zo goed kon uitleggen. Een vrouw die al haar zekerheden achter haar zonnebril bewaarde. Hij kende dit verhaal, maar het was heel vreemd voor hem. Plukje zag de zonnestraal echt branden. Zijn vader en moeder vertelde vaak over hun leven, maar hij bedacht toch maar zijn eigen verhaal. De steentjesman wou hij leren kennen. Vooral toen hij nog heel pril jong was, werd het verzamelen van schelpjes zijn passie. Niet voor zichzelf, nee natuurlijk niet, dat vond hij veel te eenvoudig. Nu waren het steentjes die hem bezig hielden. Deze weg was veel te simpel, Zijn wolkenhorizon was er een van geven, stralen, een verafschuwing van zonnebrildames. Waarom struikelde hij steeds over dat zelfde ? Waarom waren het nu steentjes ? Was het ook weer die zelfde dwaling waar hij intrapte ? Nee helemaal niet, de weg ligt open, zijn schelpjes waren geen dromen. Hij kreeg eigenlijk af en toe een juist signaal. Ooit kwam hij iemand tegen die hem iets heel merkwaardigs bijbracht. Iets bijzonders. Plots ontdekte hij of is Plukje zij, had van broek gewisseld en vond zijn laatste steentje niet meer. De steentjesman was veraf, en in die tijd kon hij geen sms sturen. Was hij slordig, was hij het pad afgelopen of... Plukje droeg veel zorg voor alles wat hij beminde, ook zijn laatste steentje. Hij herinnerde zich nog iets vaag, kreeg toen ook zo eens iets toegestopt en wist er geen raad mee, Zijn hele leven lang kon hij het bewaren. Eigenlijk was het meer dan een relikwie, iets echts, ja heel echt. Dit kreeg hij niet elke dag. Vluchtig stroomde het zo wel een keer binnen, maar daar hield het dan ook mee op. Maar nu meer dan ooit kwamen alle herinneringen weer uit de droom. Plukje begreep het niet ? Waarom moet mij dit overkomen, waarschijnlijk die ene wolk die hem overspoelde. Hij had geen angst over dat besefmoment. Was niet meer alleen, dacht aan het gevoel wat zou radioactiviteit of gsm stralen toch veroorzaken. De angst was er wel een beetje bij het niet meer weten zijn van zijn steentje. De steentjesman was zo gehaast, weinig tijd van het vele werk. Maar S: ,ja maar, Plukje wist dan een maar misschien was omvlochten met de nodige twijfel. De maar duidde op een barrière om toch niet te doen wat je eigenlijk zeer graag zou doen. Hij was verstandig, hij was een genie en een kei. Ja alles begreep hij, maar maar ? maar waarom kon hij dan niet gewoon leven zonder die verdomde steentjesman. Waarom zo vasthakken aan een steentje die niet vindbaar is. Waarom niet gewoon vertrekken en de wereld instappen met de bagage die hij nu al heeft ? K: Hij herinnerde nog de woorden van zijn vader. Ze waren hard en toch duidelijk. Nooit heeft hij ze echt begrepen, maar nu toch dacht hij aan verder stappen. Waarom de steentjesman zoeken ? Zijn voeten deden geen pijn meer, kortom eigenlijk voelde hij die pijn niet meer echt. Hij voelde zich wel eens gesterkt door aan de woorden van zijn dierbare te denken. Misschien werden er hem op dit moment sommige dingen duidelijk. Als kind twijfelde hij ook soms eens en werd hij geregeld geremd door de mensen om hem heen. Waarom, waarom kon hij niet terugdenken aan de meren die hij bewonderde of toen hij niet bewust was van zijn stappen. Zijn slaap was dieper dan ooit te voren. Zijn tevredenheid ook. Toch twijfelde hij aan zijn kunnen. Ooit dacht hij volledig die barrière te overwinnen. Zijn weten was groot maar toch kwam die verdomde maar de kop opsteken. Wie en wat deed hem stappen. Wie ? Hij wist het weer. Ooit had hij iemand heel bijzonder leren kennen, in lang vervlogen tijd. Hij had weinig tijd maar toch dacht hij eraan terug, al zijnde gisteren. Zijn handen bewogen toen hij eraan terug dacht, net toverstokjes die de grappige steentjes uit zijn broekzak weg liet vliegen. De steentjesman werd overschaduwt door dat bijzondere gevoel. Wat was het die zijn voetpijn deed genezen. Was het die bijzondere schaduw die hem nooit los liet. K: Inderdaad de schaduw liet hem niet los. Hij ontdekte opnieuw zijn weekheid, zijn broosheid, zijn zoeken. Hij vroeg zich af of zoeken iets is als naar het mooie kijken en de afgrond voelen. Hij vroeg zich af of hij zijn geluk aan het spiegelen was. Zijn zoeken kreeg wel antwoord, maar toch dacht hij aan zijn aangeleerde woorden. Was hij week of tuimelde hij in een avontuur waar hij het eindpunt niet van begreep. Hij hield van voelen, hij hield van de les van zijn vader. Had hij maar ooit de wereld ingewandeld met een open gevoel met zijn bagage. Was het wel van hem. Of bestond het in functie van zijn eindpunt. In zijn vorige droom kreeg hij weer die droom te zien. Hij droomde vaak. Was het wel van hem of kreeg hij weer dit geschenk. Hij dacht weer aan het nog betreden landschap. Zonder de zonnebrildames die hij verafschuwde. Hij telde voortaan zijn voetstappen in de goede richting. De steentjesman was op dit moment niet echt meer nodig om zijn weg te vinden. Hij genoot van zijn lading. Hij genoot van de vreugde. Wie wat waar kreeg hij die. Wie was die zonderlinge. Is het liefde of. Is het de waarheid die betast en voelde. Struikelde hij nog steeds over die steentjes van de steentjesman. Nee nee nee. Waarom kon dit gevoel niet blijven. Waarom was die waarheid en schoonheid nooit bij hem altijd. Waarom zat hij op de wip. Waarom voelde het water anders dan voorheen. Wou alles eens wegblazen en terugnemen. Deze avond was hij weer thuisgekomen en kon de slaap niet vatten. Hij was onzeker. En zijn vader vroeger gaf hem een zekerheid. Waarom bood zoveel. Had hij niet genoeg bagage om te geven. Dat wou hij, maar telkens opnieuw liet hij het ultieme het edele los. Hij liet het los voor zijn koestering betekenis te geven. De vogels die hij zag waren aan het spelen. Dat wou hij ook. Spelen ingaande tegen de bliksem van de tijd. Was niet zijn tijd maar. Hij dacht aan zijn weg en die van reeds tien jaren leven bewolkt. Snakkend naar adem. Snakkend naar vrijheid die er niet is. De bewolkte wereld en toch het licht die telkens weer eens straalde. Hij begon meer en meer de zonnebrille madamen te haten. Die zijn niet echt, die geven mij geen waarheid die zijn enkel van 2007 en niet tijdloos. Die schudden nmij haren doorheen. Die die ... Ik voel me weer angstig van onbegrip. En toch wist hij zijn voet deed niet meer pijn en raakte een andere. Toch hield hij van F: Toch hield hij van dat nu van het dralen, zoeken, twijfelen van kleurloos zijn, een druppel in het water een sterretje in het heelal, ver weg, is het oneindig wat ik zie was het de ruimte, de tijdloosheid, het gebrek aan zin gaf dit hem het streepje licht door de nauwe kier 'ik zie stofjes zweven' hij zweefde met hen mee zond hen een handkus toe zo'n werphandje van ver, heel ver 'ik tuimel en tol omringt door het licht door vriendjes fijn' hij kon het wel uitschreeuwen was dit vreugde vrijheid samen alleen zijn hij zweefde, raakte hel even een essentie aan wou ze graag grijpen heel graag grijpen maar deed het niet hij wou vrij blijven en houden van ja hij hield ervan een mooi gevoel zuiver midden al die stofjes was dit nu vrijheid het stofje tuimelde weer in zichzelf zou alles weer tot beklemming worden hij rende weer naar buiten K: nooit meer was hij zo traag in het lopen. Plukje struikelde niet meer. Hij dacht weer aan die droom die vergiftigd aanvoelde. Hij ging naar buiten met de zonnestraal op zijn gezicht. Zijn hart bonsde als een specht op een boom, als een smeltende gletser, nee als zijn gemoed. Plukje was alleen met zijn verhaal gebleven. Beste mensen dit lijkt hier als een verdwaalde. Beste mensen het verhaal moet nog beginnen. De verrukking s nog niet dichtbij. Beste,dierbare lezers, neem ik jullie in de maling of zijn we allen het slachtoffer van deze luchtbel. Ons verdriet of ons antwoord aan het zoeken. Nu vertel ik jullie tien werkstukjes die de betekenis van Plukje zal blootleggen. Maandag 13 februari 1990 Het was donker buiten, niemand op straat. In deze tijd waren de jaren 80 net voorbij. De priesters en de disco maakten al lang het weer niet meer. Dierbare gelovigen werd niet meer gezongen. De grote filosofen ware groene jongens. De grote groene jongens gingen de wereld redden me rijst macrobiotisch of een vegetarisch lust voor de maag. Dikke dames kwamen uit het toen opkomende Mac Donald restaurant. Plukje had net zijn school korte broek ontgroeid. K: Plukje dacht na over zijn vervlogen herinneringen. Of was het net gebeurd die dag. Hij kende heel wat mensen. Ontmoetingen van één dag en toch niet allemaal. Hij droomde toen ook steeds vaker van zijn liefde. Hij droomde van wat kon en welke horizon hij wou bewandelen. Hij was niet zoals iedereen, vlug van begrip en niet stortend in dezelfde weg als iedereen. Hij keek boos naar de fouten van zijn geliefde droom. Zijn geliefde droom die dag. Waarom was toen ook zijn vraag. Had die droom maar nooit begonnen. En was die nooit in zijn leven gekomen. Zocht overal naar die intense dans en lach. De blik liet hem die bewuste maandag niet meer los. Zoals hij het wist zij begreep het niet. Hij begreep deze beweging niet. Hij heeft hoop. Misschien zullen er nog jaren verder moeten slenteren in dit besef van. Misschien S: Toen hij thuiskwam bleek zijn succes uitgesteld en ontving hij een massa onaangename ervaringen. Het is bespottelijk ; dacht hij... Kan je nu niet gewoon onbezorgd thuis komen en je laten zakken in een onconforme allure ? Onzinnige brieven, drukke agenda's, verlanglijstjes van anderen, maakten het thuiskomen een moeilijk punt. De een wil een portret, de ander een handtekening en dan heb je nog die rekeningen, en als je niet antwoordt ofwel betaalt, dan wordt dezelfde aanbidder plotseling bitter, grof en wraaklustig. Hij vroeg zich af of zijn aanbidder een roofmoordenaar, een dichter, een componist of een wonderkind was. En vervolgens dacht hij er is geen onderscheid het zijn alleen maar hindernissen. Elk ieder zoekt zijn steentje, dacht Plukje. De roofmoordenaar heeft meer hindernissen dan een wonderkind. En zelfs dat is een hindernis ! Hij nam een foto en dacht bij zichzelf : "Een foto van een persoon in kwestie zegt niets over zijn levensverhaal, niets over zijn afkomst of zijn uiterlijk." Eindelijk begreep hij dat kleine dingen verzinken en al gauw sporen achterlaten in het niets. De waan neemt af en het edele neemt toe, naargelang het overleven van zijn hindernis. Zo wat je dan nog ziet op de foto is het niet zichtbare . Zijn mondhoeken maakten een grote ronde boog...hij lachte. Dit moet een signaal zijn, dacht hij.. Hij moest het ....... K: hij moest het uitspugen. Lag op zijn maag. Zijn maag die normaal alles verteerd. Maar die bewuste maandag was dat thuiskomen een leegte. Of toch niet, was het maar een tijdelijke vulling die hij uitspuugde. Was het die dag eigenlijk. Waarom bestempelde hij nu eigenlijk de aanbidder als roofdier. Had hij niet het zachte verwacht of is het zijn gemoed gesteldheid die hem parten speelt. Zijn denken F: zijn denken leek die naam niet waard het leek veel meer op wentelen in een bad van leugens de droom was tot leugen verworden of beter één grote droom spleet zich in vele kleine leugentjes leugentjes waar hij niet voor had gekozen maar die elke stap van zijn dag millimeter vast bepaalden geen vinger stak hij nog uit of hij stelde vast dat niet hij het leven leefde maar de anderen - of was het 'het andere' - hem leefden volgens welk patroon wat waren hun regels welke wetten werden voor hem onthouden welk onzichtbaar web weefde zich rondom en voor wie of wat baatte zulks dan wel waartoe dient het allemaal hij kon erom malen hij knalde met volle kracht een kinderbuggy tegen de vloer hij zwaaide verwilderd in het rond schreeuwde het uit en brak S: Het lukt hem niet om recht te staan en bleef liggen, versnipperd in wel duizenden stukjes. Wat hem dwars zat was de waan, de illusie, het visioen, het beeld van wat had kunnen zijn. Het zweet brak hem uit en met zijn gebroken en versnipperde handen veegde hij die ene druppel weg, alsof hij de hele oceaan van zich afwierp. Hij stelde zich voor hoe eenvoudig het kon zijn, het opstaan en ‘s morgens je tanden poetsen, wassen, ontbijt, leven, eten, slapen, vrijen... Zijn gedachten bleven hangen bij het vrijen, ........ de liefde bedrijven..... .........velen noemen het sex. Hij verlangde zozeer naar een wederhelft die hem gelukkig zou maken. Een wederhelft uit een lang vervlogen mythische tijd, die het beeld, het visioen, de illusie en de waan zou begrijpen. Haar opdracht zou simpel en duidelijk zijn : ze moest het waardeloze leven van Plukje opvullen als een soort van osmose van cellen. of twee converterende vaten die vervloeien en delen wat tekort is en aanvullen wat moet zijn en wat nog niet is. Een soort van Afrikaanse ruilhandel, met veel hitte, honger en dorst. Zijn zachte kussen was voorlopig zijn enige toevlucht, zacht, droog en fris...misschien is dit wel de keiharde Belgische realiteit. Zijn gedachten gleden weg in dromen van hitte en frisheid, droogte en dorst, de oase of de woestijn. De hele droom was een zoektocht van opweg zijn om thuis te komen op de juiste plaats en in het juiste land. K: Hij drukte steeds alles neer, herinner wat zijn vader hem leerde. Hij spuugde nog meer, nog heviger nog zuurder, bittere lust braakte hij uit. Verdrongen oud voedsel die hem bezwaarde. Gregoriaanse klanken werden een rock opera. Was nog nooit zo ziek van hunkering. Zijn hele gezinsleven stortte in. Zijn geesteszieke vrouw had hem van huis en haard verdreven. Het leek wel de val van ikarus of de duivel uitdrijving. Alles kleurde bont voor zijn ogen. Voelde niks nog helder. En weer jaren, moeilijke bittere jaren braken aan. Of braken hem uit. Strenge eenzaamheid zou hem deugd doen een nieuw ascetisch leven , geestelijk leven zouden hem deugd doen. Zonder seksuele hunkering der ingevulde leegte van zijn kwetsbare mannelijk klein dooi. Zijn castratieangst was voorbij. Liet hij zich maar niet lijden of leiden door zijn bevredigend en inslikkend zaad. Hij voelde de dodelijke vermoeide insnoering van zijn zijn. Hij had het nog steeds niet begrepen. Wanneer ruk ik nu eindelijk mijn masker af. Wanneer ruk ik nu eindelijk mijn liefdeloosheid af. Was steeds opgegaan in de leegte. Steeds begreep hij die steen der wijzen niet. Ach ja, ik ken die belevingen, deze blik. De schijnspiegel der roofmoordenaars. Had hij maar zijn tanden gepoetst met een sexuele orgastisch gevoel van vernedering. Hij eerde enkel zichzelf. Had hij maar die juiste roos verstaan. Had hij maar. Zijn verlangen van zijn wederhelft bleef hangen in zijn spiegel. Zijn verdomde spiegel. Hij verwaarloosde alles ging dolen op het werk. Doolde de huiskamer rond, net zoals een muisje in een rad draaiend in een kooi. Had hij maar meer geluisterd naar zijn echte doel. Zijn betekenis. Zijn moord was nabij. De angst brak hem weer uit. Zijn waardeloosheid. Die verschrikkelijke angst die hij wou versmelten met een wederhelft. Ha Ha Ha Ha het spugen begon een lach te geven. een bespottelijke mozart een requiem. Eigenlijk ja eigenlijk was die wederhelft niets meer dan zijn eigen wolkbreuk. Zijn zoektocht en zijn antwoord stond in tekenen van een antwoord. Waarom waarom hij wachtte op een antwoord een teken. Was het antwoord die zonnebrilmadam die hij verafschuwde. Of was hij de vraag en het antwoord. Een wederhelft die, wanneer hij luistert naar het licht van zijn vraag. Voelt misschien och arme aan in teken van zijn onbevredigd gevoel. Had hij misschien het afgerukt, dan was zijn aanvoelen misschien oprechter. Waarom dacht hij dat zij zijn waardeloze leven moest opvullen. Zoals de vulling van de taart zonder instorting in de oven van het leven. De cake en taart bleef maar rijzen in zijn oven. Het onbevredigd gevoel van leven met een doel. Hij wist heel goed dat al zijn vrienden en vriendinnen het zelfde doolhof bewandelen. Allen komen van een kale reis terug. Allen verloren de essentie. Allen vonden en voelden de echte lama of liefde niet. Allen waren blind. Misschien zijn ze net zonnebrildames die hij Laat ze maar terug komen laat ze maar hun leegte in woorden gieten Elk van deze ontmoetingen is veraf van de oorsprong. Laat ze maar hun tijd verdoen en denken dat ze het vinden Zijn lach en kwam terug Hij voelde zich beter kon er weer tegenaan S: Waar ben ik geweest, dacht Plukje. Als ik terugdenk kan ik me niets herinneren, was ik naïef of had ik geen aandacht ? Waar heb ik gezeten ? Nee, het was zeker niet het hol van de steentjesman, ik zou het zeker gezien hebben. Ik kan me niets herinneren dan licht en duisternis. En dan die zwaarmoedige stemming waaruit ik ontwaak, blijft gewoon aan mijn kleine ribbetjes plakken. Vanwaar komt die wandelstok ? Zou ik hem ergens op de weg gevonden hebben, maar ik herinner mij geen weg, ik herinner me niets.... F: Plukje verrijst Wat was er gebeurd? Hij voelde een lichte zindering in zijn lichaam. Dat gebeurt me wel meer dacht hij, telkens er een stilte valt en ik aangeraakt wordt of wanneer iemand een vriendelijk woord tegen me zegt - alsof een golf warme lucht over me heen komt en me zacht omarmt; of een nachtzoen die je 'tot morgenvroeg' wil zijn en je mee kan nemen in je dromen En toch was dit anders geweest het was anders dan een vederlichte heerlijke zucht het was immers lang stil geweest en hoewel hij de stilte kan beminnen was ze zwaar beginnen wegen ze woog op zijn hart, en elke dag dat beetje meer een sluipend gif het temperde geestdrift en doofde vreugde heel stilletjes, heel langzaam, onhoorbaar stil het was een beetje doodgaan En dan die stem dat woord de taal van een ander die tot hem doordrong taal dat is trilling en zindering hij herinnerde het zich hemeltje een woord is een feest een stem een wonder in het duister verrukking en verrukkelijk voor wie ver weg is geweest en dacht dat hij alleen was met slechts stilte om hem heen hij voelde zich herleven boog voorover en greep zijn stok zwaaide ermee in de lucht en maakte cirkeltjes met de punt Hij liep de stem tegemoet 'gegroet', 'weest gegroet' het was zijn hart dat schreeuwde verlangde om weer samen te zijn te voelen, te ruiken, te drinken met de ogen, te tasten en te beminnen 'ik ben verrezen' stamelde hij tegen zichzelf alsof de stilte een eeuwigheid had geduurd en hij die stilte had moeten leven. K: Dacht hij niet steeds aan zijn spiegel. Dacht hij niet steeds aan zijn evenbeeld. Wou hij zich niet vol proppen met gelijkenis. Was dat zijn zoektocht ? Of smeet hij één voor één zijn steentjes weg. Was hij niet op zoek naar een aanvulling, een invulling van zijn leegte. Een partner, een geliefde zijn gevoel voelde. Steeds weer liet hij hem meeslepen door zijn drang. Zijn mannelijke drang. Was die er niet had hij alles anders bekeken. Was dit dan zijn dwaling. Liet hij zich niet telkens vangen door zijn lichamelijkheid. Kon hij dit dan niet eventjes wegdenken. De zuiverheid bewandelen. K: Hij liep eigenlijk wat rond, zomaar op de planeet, leeg maar toch met begreep hij het raadsel niet. Een doordrongen gevoel al had hij de da vinci code gevoeld. Zijn lichamelijkheid liet zich weer voelen. Had een warme drang. Had een gevoel van ik wil iets betekenen, meer dan ooit. Hij wandelde verder door ja door bossen van heimwee, door het zand van zijn verstand, de lach van zijn geluk verwrongen, al was hij één met het schroot van een auto gekatapulteerd tegen een boom. Het zand van zijn verstand voelde vandaag als een zandloper op de schommel. De schommel van zijn leven. Hij schreeuwde noch steeds zijn eigen relikwie uit. Hij spuugde noch steeds de zonnebrildames uit. Plukje wist niks, hij leefde en liep gewoon wat rond. Alles wat hij nu zag veranderde van kleur, het bezwijken van zijn zijn. Ja nu moet het gebeuren, nu zal er iets veranderen. Mijn raadsel, mijn doek valt nu of scheurt nu open. Een stikkend gevoel van bevrijding kwam hem tegemoet. Er kwam iemand op hem af of niet. Was het een vrouw, kind of een dier. Ken ik je, ja ken ik je, Zijn het jouw kleuren waarin je prijkt. Stilte, stilte, gegroet edele, blij je te voelen, wie ben je, kom je mij bevrijden uit mijn kots. Verander ik nu van kleur of zijn het jouw kleuren. Wat ben je mooi, Wat prijk je edel in mijn droom. Droom ik, blij je te ontmoeten, wie ben je blij je te ontmoeten of is dit mijn toevallige droom ? kom je nu speciaal voor mij of... goed ok, ik begrijp het, je wil me natuurlijk niet vertellen. Houdt hier nu mijn droom weer op, het kortste stuk van mijn nacht heeft zich weer opgedrongen, als de regen die telkens uit mijn dakgoot in mijn oog spat. Gegroet maak je nu maar eens bekend. Of steek je je weg achter mijn droom ? Of kom je me nu niet bevrijden. De verstikking voel ik elke dag weer opkomen, als het maagoverlast verzuurde eten van vanmorgen. Ben jij die golf warme lucht die over me heen komt en me zacht omarmt ? Ben jij mijn wandelstok of steentje van de steentjesman ? Ok ik begrijp, ik sta weer te trappelen voor mijn spiegel. Wat ben je mooi, spreek, vertel me jou stoutste droom in mijn adem. Jij, ik, Plukme is mijn naam, ik kom voor jou... Het klonk me niet nieuw in mijn oren. Was ze zij, was ze... Droom ik of... Plukme draaide zich om en kuste me goeiedag in mijn nek. Mijn herfst kreeg plots weer licht, voelde de regen uit de dakgoot niet meer, mijn maag was leeg en vol honger, geen overlast van deze stoutste ontmoeting. Plukme, gegroet edele...